78.
De Veldheer leidt zóó dicht nabij de kust
Het leger voort, dat hij 't welluidend ruischen
Der zee verneemt, zich-zelven wel bewust,
Dat daar alom bevriende schepen kruissen,
Met overvloed van leeftocht toegerust.
De Kreetsche druif zal in de bekers bruisen,
En de Archipel voert van zijn tarwegraan
Uit volle schuur de rijpste garven aan.