62.
Daar heft zich uit het vorstelijk paleis
Een toren op nabij de vestingmuren.
Ge ontwaart er, in een uitgestrekten kreits,
Gebergte en dal, het kamp, de legervuren.
Zoodra de zon ter dagelijksche reis
Gereed is, zit de jonkvrouw hier te turen,
Te zuchten en te fluistren met zich-zelf,
Tot de avond daalt van 't graauwend luchtgewelf.