54.
Zij nemen fluks naar 't legerkamp de wijk:
Geen vijand durft hun vredige' aftocht storen.
Zij wisschen Dudoos kil gelaat van 't slijk,
En zorgen dat al de eer hem zij beschoren
Die helden past. Zij dragen 't dierbaar lijk,
Dat al te ras aan 't graf zal toebehooren....
Buljon terwijl, in 't blaauwend vergezicht,
Bespiedt de Vest, die aan zijn voeten ligt.