49.
Van 't bolwerk stort een hageljacht van steenen
En rotsgevaarten op de Franken neêr:
De pijlen gonzen langs hun slapen henen,
Zoo dicht als 't zand aan d' oeverzoom van 't meir.
Zij aarzelen - Reeds is hun prooi verdwenen:
Naar binnen rukt het Saracenenheir.
Maar Reinout, zijn gestruikeld ros ontkomen,
Rent plotsling aan, met fladderende toomen.