38.
Hij leidt haar heen, waar vroome Godefried
Omstuwd zit van zijn hooge heldenrangen.
Eerbiedig neigt ze, als zij den Veldheer ziet,
Maar beeft en zwijgt, met hooggebloosde wangen:
De Ridder, die haar troost en bijstand biedt,
Verdrijft weldra de vreezen die haar prangen:
Nu geeft zij haar bedriegelijk verhaal
Ten beste, elks oor verrukkend door haar taal: