2.
Gelijk wanneer ze, in schaduw van den nacht,
Het laatste spoor van 't vluchtend wild verloren,
De honden, hijgend van de onvruchtbre jacht,
Zich wenden op het schettren van den horen:
Zóó keeren nu, met uitgeputte kracht,
De Ridders weêr, vervuld van schaamte en toren.
Maar de arme maagd gaat altijd voort met vliên,
En waagt het niet zelfs éénmaal om te zien.