57.
Ter zijde waar Auroor' de blonde hairen
Doet stralen, loopt de vorstlijke Jordaan:
Ten Westen doen de Middellandsche baren
De witte branding tegen d' oever slaan:
Ten Noorden schemert Bethel, dat de altaren
Van 't Gulden Kalf zag rijzen en vergaan:
En waar in 't Zuid de regenwolken gloren,
Schuilt Bethlêm, waar de Heiland is geboren.