64.
Gelijk ik was, toen ik voor Koenraads hof,
Voor 's Keizers throon, ja voor Germanjes oogen,
Een Leopold zoo stout in 't harte trof,
Dat op één slag hem ziel en geest ontvlogen!
't Zegt méér een Held te buigen in het stof,
Wiens reuzenkracht nog nimmer had gebogen,
Dan gantsch alléén en zonder zwaard op zij',
Een heir te slaan van lafaarts zoo als gij!