57.
Alomme staan de tenten opgeslagen;
In 't Westen smelt de laatste zonnepracht: -
Daar naakt op eens, door 't snuivend ros gedragen,
Een Ruitrenpaar, in onbekende dracht.
Wat doet hen dus op snelle vleuglen jagen?
Hun komst spelt vreê; ook werd ze lang gewacht:
't Zijn boden uit Egypten; Rijkssatrapen,
Met heel een sleep van blinkende edelknapen.