40.
Als kind alreeds vermocht ze een hollend ros
Te mennen met een greep der kleene vingren,
En reed ze en streed in zwaren wapendosch,
En wist ze zwaard en heldenlans te slingren.
Sints volgde zij, in bergspelonk en bosch,
Den wilden trein der woudgediert-bedwingren:
Zoo scheen ze alom, bij jacht- en krijgsmuzijk,
Den leeuw een man, den man een leeuw gelijk.