51.
Hen leidt Tatijn. Geen ander der Helleenen,
O zonde! o schand! neemt aan den Kruistocht deel.
Hoe, Griekenland! waar 's hemels englen weenen,
Daar juicht gij voort, bij dans en luitgekweel?
De krijgsorkaan giert langs uw grenzen henen,
Gij wacht het eind als bij een schouwtooneel?
Gij vielt - voorwaar, de Almachtige is rechtvaardig:
(Beklaag u niet!) Gij zijt uw boeien waardig.