88.
Geen wacht aan een der poorten weigert toch
Ooit d' uitgang aan de roemrijke Amazone:
Lang peinsde ik, maar dit middel schijnt mij nog
Het beste, ja het éénige. Betoone
Fortuin heur gunst bij 't schuldeloos bedrog,
En dat de Min heur eigen schepping kroone!
Nú is het tijd, nú moet ik vluchten, eer
Klorinde van den Koning wederkeer'!’ -