23.
Die woorden doen zijn gramschap feller blaken,
Gelijk een fakkel die men schudt. Zij berst
Zijn boezem uit, strooit vlammen op zijn kaken,
Ontvonkt zijn blik, en vloekt en tandenknerst.
Wat haatlijk is en Reinout zwart kan maken,
Wordt door haar macht zijn dollen mond ontperst.
Zij blindt en blaast hem op, en doet hem wanen
Dat moed en kracht rondbuldren als orkanen.