2.
En Aladijn bouwt onvermoeider voort
Naar mate schans en ravelijn verbreeden,
Hetzij de zon verschijnt aan de Oosterpoort,
Hetzij de maan heur pad is opgetreden.
Geen smidse die niet als een vuurhel gloort.
Waar alles zwoegt om wapenen te smeden:
Maar woeste Argant, den langen arbeid moê,
Bijt dus den koning norsch en haastig toe: