68.
Maar waartoe meer? Ik zweere 't bij 't Gericht
Diens Hemels, die geen schuldige zal sparen:
'k Heb Tankreds schim bij 't eerste morgenlicht
Bebloed en bleek rondom mijn koets zien waren.
O vreeslijk, o beschreienswaard gezicht!
O voorspook van de gruwlen, die zich gaâren
Op Godfrieds hoofd! ... Neen, 't was geen droombedrog:
Ik zag hem - en wáár 'k stare, 'k zie hem nóg!