29.
Daar zien ze op eens een donkre grot, beneden
In 't berggevaart' gehoold door menschenhand,
Maar ongebruikt sints een vergrijsd verleden,
En nu begroeid met ruigte en slingerplant.
De grijzaard bukt om 't rotshol in te treden,
En buigt met zorg de takken aan een kant;
Zijn rechte zoekt den toegang te bereiden,
Zijn slinke wil den trotschen Sultan leiden.