18.
Daar dringt ze alléén de bonte scharen door!
Ze onthult noch bergt haar rijke aanvalligheden.
Een sluier dekt den zoeten starrengloor
Der oogen; vast en zedig zijn haar schreden.
Zat zorg of toeval bij de keuze voor
Van 't rein gewaad, dat kronkelt om haar leden?
Natuur en Liefde en zelfs de Hemel plooit
Het kuische floers, dat zooveel schoonheid tooit.