22.
Hij spreekt; en groet met even blijden geest
Als blijd gelaat den afloop zijner dagen.
Wij zien hem, 't hoofd omhoog en onbevreesd,
Zich midden in de dolle Heidnen wagen.
Al ware 't staal als diamant geweest,
Geen harnas is berekend voor zijn slagen,
Die stroomen bloeds doen gulpen langs den grond;
Maar weldra is zijn lichaam ééne wond.