64.
Een trouwe Vriend, mij bovenal verknocht,
Zal 's nachts ons ter geheime poort ontfangen,
Die stadwaards leidt; de wacht is omgekocht,
En de aanslag rijp. Toch was het zijn verlangen,
Dat ik bij U een weinig bijstands zocht:
Dat zal den moed doen blaken op de wangen,
Méér dan wen heel een vreemde legermacht
Ter hulpe vloog: zóó is uw naam geacht! ....’