10.
Neen, dat mij God beware voor die schand'!
Maar weet, ('k verzweeg het voor mijn soldenieren!)
Vorst Soliman, Niceaas koning, brandt
Van wraak bij zijn vernederde banieren.
Tot in het hart van 't Libyaansche zand
Vergaârde hij de zwervende Arabieren:
Hij rukt alreeds met hulp en voorraad aan,
En zal te nacht door 't kamp des vijands slaan.