27.
De Sultan zucht en wil de kar ontspringen
Met dreigend zwaard, bedwelmd door razernij;
Maar de andre roept: - ‘Leer toch uw drift bedwingen,
Gij blinde dwaas!’ en trekt hem aan zijn zij'.
Voort! gaat het weêr; voort! naar de heuvelklingen,
De hoogten op - tot heel de tentenrij
Der Franken uit hunne oogen was verzwonden,
De stilte keerde, en straks - de paarden stonden.