51.
Den laatsten nacht is hem geen slaap beschoren:
't Is koortsig vuur wat in zijn oogleên brandt.
Lang eer het licht een heuveltop doet gloren,
Springt hij met drift van 't haatlijk ledekant:
- ‘Mijn wapens!’ dreunt het in des schildknaaps ooren,
En deze houdt de wapens reeds ter hand,
Een nieuwe en kostbre rusting, door den koning
Hem toegedacht, verrassende eerbetooning!