32.
En 'k zie een ster aan 't blaauwend kristallijn,
Die Jupiter het hoofd doet onderhalen.
Zij doet haar glans gelijk een gouden lijn
Op 't achtbaar lijk mijns dierbren Meesters dalen,
Met zulk een gloed van middagzonneschijn,
Dat ze elke wond doet flikkeren en stralen.
'k Herken terstond, terwijl het hart me ontzinkt,
Het overschot, ach! jammerlijk verminkt!