119.
Het Heidensch zwaard, de Helsche rukwind strijken
En striemen in den rug van 't vluchtend heir.
De regen, die de velden doet bezwijken,
Met bloed gemengd, schuimt als een purpren meir.
Naast heuvelen van stervenden en lijken,
Stort Pyrrhus, stort de brave Rudolf neêr:
Argant heeft d' één den levensdraad doorsneden,
Klorindes ros den tweede in 't slijk vertreden.