5.
De groote vreugd, die aller borst doet jagen,
Smelt weldra weg in eerbiedvolle smart.
Zij voelen zich door schuldbesef verslagen,
Met schaamte en dank in 't heilbegeerig hart.
Zij durven naauw de ontroerde blikken wagen
Aan 't heilig oord, dat hun een Bethel werd,
Waar Jezus eens geleefd heeft en geleden,
Den dood verwon en 't graf is uitgetreden.