11.
Wij hebben voor de nooddruft van ons leven
Niet veel van doen; en wenschen niet naar meer.
Geen slaven zijn 't, maar zonen, die me omgeven:
Mijn herders en mijn helpers evenzeer.
'k Leef vrolijk in deze afgelegen dreven:
De hinde springt er vrolijk op en neêr,
De vischjens dartlen er in 't stroomgewemel,
De vooglen gaan er zingende ten hemel.