32.
Dus wijken, als de stier de hoornen drilt,
De honden die door 't wijde perk krioelen;
Maar rent hij voort, dan doen zij even wild
De tanden in zijn ruige zijden woelen.
Klorinde dekt, in 't vlieden, met haar schild
Van achtren 't hoofd, waarop de flitsen doelen:
Geen ranke Moor ontwijkt zóó vliegenssnel
De slagen bij 't krijgshaftig kogelspel.