47.
Dat zou dan nu mijn fiere leidsman wezen,
Het voorwerp van mijn kuische huwlijkstrouw!
Hoe schaamteloos werd hij mij aangeprezen,
Als die mijn koets en schatten deelen zou!
Niets werd gespaard wat hopen doet en vreezen,
Niets wat den wil kan buigen bij een vrouw:
Toch wilde 't: “Ja!” niet naar mijn lippen stijgen;
Al wat ik deed, was: weigeren of - zwijgen!