34.
Ik balsemde met tranen van verdriet
Zijn wonden; maar kon niet tot kalmte komen.
Intusschen had de heilige eremiet
Al zacht het zwaard uit 's Meesters hand genomen.
“Dit zwaard, mijn zoon,” zoo sprak hij, “als gij ziet,
Rood tot aan 't heft van versche purperstroomen,
Is zóó volmaakt, dat nergends op heel de aard'
Een lemmer ooit dit lemmer evenaart.