56.
In 't hart der stad valt elke regenstraal
In bakken neêr, en frissche beekjens vloeien
De vijvers door - maar 't veld rondom is schraal:
Daar wil geen bron den harden grond besproeien.
Daar geurt geen bloem, daar biedt geen looverzaal,
Geen struikjen schaâuw, bij 't middagzonnegloeien.
Alleen zes mijlen verder rijst een woud,
Vol giftgeboomt', afschuwlijk woest en koud.