14.
Een Jonkvrouw rijpte in 't midden van hun kring,
Zoo fier, dat geen vorstin haar evenaarde:
Ze is hemelsch schoon, maar schat haar schoon gering,
Als had door 't Schoon de Deugd geen dubble waarde.
Ze is 't lieflijkst door de zelfverloochening,
Die zooveel liefs verborgen houdt voor de aarde,
Den lof ontvlucht der dartelende jeugd,
En eenzaam leeft in Godgewijde vreugd.