60.
De Aartsengel buigt in sprakeloos ontzach
Zich aan Gods voet met oversluierde oogen,
Ontplooit zijn vlucht, goudglanzig als de dag,
En is alreeds gedachtensnel ontvlogen.
Hij ijlt, en klieft met forschen vleugelslag
De Lichtsfeer, waar de Zaalgen wonen mogen,
Roeit d' éther door der blaauwe Onmeetlijkheid,
Met starren als juweelen ingeleid;