22.
Haar toornig oog blijft zacht, schoon 't bliksems schiet:
O, wat zou 't zijn bij teedre minneweelde!
Hoe peinst gij dus, gij Tankred? Is dat niet
Het lief gelaat, dat door uw droomen speelde?
Ja, ze is het wel, die in uw hart gebiedt,
Waar Liefde-zelf heur gloeiend beeld penseelde!
De Krijgeres, die zich in 't eikendal
Verfrisschen kwam aan 't levend bronkristal.