38.
Schoon 't blosjen op zijn donzen kaken prijk',
Geen kampioen kan met dit kind zich meten!
Ja, waren hem in 't leger zes gelijk,
Heel Syriën boog krimpende in zijn keten,
Geen Morgenland, geen deinzend Avondrijk,
Dat niet de prooi der Christenen zou heeten!
De Nijlbron zelfs, door niemant ooit gezien,
Zou vruchteloos het slavenjuk ontvliên.