62.
Geen voorwerp ooit, noch mensch noch meulensteen
Noch ijzerklomp, of wat er nedersmakte,
Daalde immer door die zoutzee naar beneên,
Waar 't boven drijft als uitgedord getakte.
Een smalle brug leidt naar een burchtslot heen,
Dat oprijst uit die zilte watervlakte:
Daar leidde Armide ons binnen; met de poort
Ontsloot zich een verruklijk Tooveröord.