14.
Daar bracht weldra de voorhoede ons de maar',
“Een wapenklank steeg raatlend naar den hoogen,
Men werd een wolk van vendelen gewaar,
Een eindloos heir kwam dreigend aangevlogen!”
Onze eedle Prins stond kalm aan 't hoofd der schaar;
Zijn moed, zijn stem, zijn blik, bleef onbewogen,
Al nevelde ook bij 't onverwacht bericht
Een doodsbleeke angst op menig aangezicht.