42.
Met roemrijk zwaard heeft hij zijn moeders goed
Steeds uitgebreid tot altijd wijder palen.
Zijn bende rukt den doodschrik te gemoet,
Waar ze aan de spits zijn arendsoog ziet stralen:
Maar 's winters lokt de warme haardsteêgloed
Hen dicht bij één, op 't klinken der pokalen.
Vijf duizenden omringden eens den Held:
Twee derden zijn door 't Perziesch staal geveld.