61.
Niet dus Aleet: hij slaat den blik ter aarde,
De hand op 't hart, zich buigend tot den voet,
Als trad hij, diep doordrongen van zijn waarde,
Een Koning op zijn zetel te gemoet.
Geen honigzeem uit Hyblaas rozengaarde
Is zoeter dan zijn malsche woordenvloed.
Het Syriesch is niet vreemd aan Frankische ooren,
Hij weet het; en aldus laat hij zich hooren: