59.
En schoon hij, op mijns vaders throon gezeten,
Mijn diadeem om 't schennig voorhoofd spant,
Toch is zijn wraakfiool niet volgemeten,
Toch mengt hij mij nog grooter schade en schand:
Als Aront niet vrijwillig in zijn keten
Zich leevren wil, steekt hij de burcht in brand;
En mij, helaas! en die mij hulpe boden,
Bedreigt hij met den krijg en duizend dooden.