81.
Hier sluimeren de zware donderkloten;
De lans, die eens den helschen draak doorstak;
De pijlen, die, onzichtbaar uitgeschoten,
De vale pest doen walmen over 't dak;
Hier hangt de drietand, die, in de aard gestoten,
De bergen schudt met schrikbren krak op krak,
Den gordel breekt van 's waerelds vastigheden,
En woelt in 't puin der omgeworpen steden.