19.
Maar eerst, uw naam! en fluister mij in de ooren,
Door welk een macht gij zulke wondren doet!
Want om met vrucht uw woorden aan te hooren,
Moet de onrust weg, die tintelt in mijn bloed! ....’
- ‘Uw laatsten wensch ziet ge u al licht beschoren,’
Voert de andre hem glimlachend te gemoet:
‘Ik ben Ismeen - wijl ik de tooverketen
Der Krachten ken, een Magiër geheeten.