34.
De reuzige Cirkasser draaft verwoed
Vooruit, berg af, waar 't oorlogsonweêr suizelt.
En de eerste Frank, dien hij omlaag ontmoet,
Ploft van zijn ros, dat naast hem nederduizelt.
Zijn krijgslans druipt van rookend Christenbloed,
Eer ze eindlijk in zijn vingren wordt vergruizeld:
Nu zwaait hij 't staal, dat onheilspellend gloort,
Waar 't rondbijt, wondt; en waar het wondt, vermoordt.