76.
Deez' hoort de klachte, en heft den blik omhoog,
En roept tot God, van ouds zijn hulp en hoede:
‘O Gij, die weet, wat afkeer mij bewoog
Voor burgerbloed, Alheilige en Algoede!
Scheur Gij dat volk den sluier weg van 't oog!
Beteugel toch de teugelloze woede!
Gij, die mijn onschuld kent, breng haar aan 't licht,
En strale zij den blindsten in 't gezicht!’ -