91.
De dolle Woede en ruwe Tweedracht vlogen
Op vleêrmuisvlerken uit zijn mantelvouw:
De fakkel der Harpijen stak zijn oogen
In vlammen; zijn gebronsde kaak werd graauw.
Zóó stond de Reus, die tot aan 's hemels boogen
De toren der verwarring staaplen zou!
Zoo zag hem Babylon de starrenheiren
Bedreigen en Gods bliksemen trotseeren!