45.
Balsturig wijkt Argant verscheiden malen,
Komt weêr, en deinst, en strijdt en wijkt weêrom.
Maar eensklaps doet hij 't vliegend lemmer dalen,
En keert het woest in Dudoos lendnen om.
De levensstroom ontvloeit in heete stralen
Den Christenheld; hij valt - zijn mond is stom,
Stuiptrekkend nog fronst hij de wenkbraauwboogen,
En ijzren nacht daalt neder op zijn oogen.