52.
Hij beurt zoo fier den stuggen nek omhoog,
En schudt het hoofd, en blikt zoo woest naar boven,
Dat zij, wie nooit de bleeke schrik bewoog,
Zich op hun bolwerk reeds verrast gelooven.
Terwijl hij spoort en dreigt met hand en oog,
Daar komt een boô zijn brandende' ijver dooven,
Sigier is daar, en wenkt om stil te staan,
En kondigt hun den wil des Veldheers aan.