55.
Zóó woedt een stier, geprikkeld door de sporen
Der dolle min: zijn aaklig brullen stuit
Op berg en rots, en zijn ontembre toren
Groeit op 't geloei van eigen stemgeluid;
Hij beukt de stammen met metalen horen,
En daagt den wind met blinde stoten uit,
Doorploegt den grond, en rent door weide en wegen
Schuimbekkende zijn medeminnaar tegen.