72.
Schat gij den roem der zedigheid zóó min,
Zóó laag de deugd, der onschuld krans van stralen,
Dat gij te nacht, wellustige boelin,
Het loon der schand bij vijanden wilt halen?
Wee over U! ...’ ‘“Gevallen Koningin,
Gevallen Vrouw!”’ Zóó zal die Christen smalen:
‘“Neen, gij zijt mijns niet waardig: wees de buit
Van d' eerste die U in zijn armen sluit!”’