37.
De Heidnen zelfs staan diep geroerd en treuren:
De Christen treurt, maar zoo luidruchtig niet.
Den Vorst gebeurt wat nooit hem mocht gebeuren:
Zijn hart wordt week bij wat hij hoort en ziet.
Hij merkt het naauw, of schaamte en gramschap kleuren
Zijn voorhoofd: hij wendt de oogen af, en - vliedt.
Sofronia! aandoenlijkste uit die reien!
Slechts gij schreit niet, waar ze allen U beschreien!