46.
'k Groeide op, en ook zijn Zoon groeide op. Maar nooit
Nam wijze Fee zijn jonkheid in haar hoede.
Geen Ridderdeugd, geen eedle Kunst wekte ooit
Zijn geestdrift op: hij had geen hart voor 't Goede.
Zijn trotsch gelaat, in rimpelen geplooid,
Verried een ziel, waar lage gelddorst broedde.
In daden ruw, zich wentlende in het slijk,
Was hij in 't kwade alleen zich-zelf gelijk!